Grote foto voor donateursVoor minimaal €20 per jaar kunt u donateur worden en grote foto’s bekijken.
Word donateur en bekijk grote foto’sInformatie over deze foto / video
- Trefwoorden
- duit,beekmansschat,1926,munt,duit,vondst.archeologie,vondsten,
Trefwoord voorstellen
Ziet u iets op deze foto dat nog niet bij de trefwoorden staat? Geef één trefwoord of naam door. Na controle voegen wij het eventueel toe.
Auteursrecht
Deze foto mag niet zonder toestemming van de rechthebbende worden gebruikt, gepubliceerd of verspreid.
Het is een Gelderse duit. Het muntstelsel in de Republiek der Verenigde Nederlanden (1588-1795) leek op het systeem van de euro zoals we dat nu kennen: er is een gemeenschappelijke munt, maar alle deelnemende landen mogen hun eigen versie daarvan uitgeven. Net zoals we nu met Belgische, Duitse en Spaanse euro’s kunnen betalen, gold dat toen voor Gelderse duiten, Hollandse dubbeltjes en Utrechtse guldens. De Nederlandse gewesten (en sommige steden) hadden namelijk hun eigen muntrecht behouden. Op deze duit van de provincie Gelderland staat het Gelderse wapen (met 2 klimmende leeuwen) en het omschrift IN DEO SPES NOSTRA, letterlijk: in God is onze hoop. De koperen duit was kleingeld: er gingen er 8 van in een stuiver, en 160 in een gulden. Een gulden bestond uit 20 stuivers, een rijksdaalder was 50 stuivers waard. In de stadsrekeningen van Groenlo komen trouwens ook “oude schilden” voor, die zijn dan genoteerd als f 3 – -. Een waarde van drie gulden dus. En daalders van 30 stuivers, dus anderhalve gulden.
Kwartjes bestonden niet, wel schellingen, die een zilveren muntje ter waarde van 6 stuivers. Vaak werd een bedrag dus afgerond op een aantal stuivers dat door 6 deelbaar is. Een voorbeeld uit de stadsrekening: “10 janwarij 1665. Garrit Penterman 2 slotten aen Neije poerte gerepererd”t: 18 stuivers. Het repareren van de sloten op de Nieuwe Poort door smid Penterman kostte dus 3 schellingen. Om een idee van het prijsniveau in die tijd te hebben: 4 kan bier kostte ook 6 stuivers. Een “ton bier van Peter Cuper” staat in de stadsrekening van 1665 voor 7 gulden. Dat was een halve dukaat. Een dukaat was een goudstuk van 14 gulden.
Dirk volgens mij is het muntrecht voor Groenlo nooit opgeheven. Klopt dit?
Vemer schrijft in zijn Kroniek van Groenlo dat Groenlo in 1277 hetzelfde stadsrecht kreeg als Zutphen, dus inclusief muntrecht. Of dat zo is, heb ik niet nagezocht. Maar Groenlo heeft in ieder geval nooit gebruik gemaakt van zijn eventuele muntrecht. Zutphen wel, maar dat munthuis is op aandringen van de Staten-Generaal in 1606 gesloten, omdat men de muntomloop wilde saneren. Veel stedelijke munthuizen (en ook die van de graven van Bergh in ‘s-Heerenberg) produceerden namelijk slecht geld: er zat te weinig edelmetaal in. Van 1687 tot 1692 heeft Zutphen nog tijdelijk het munthuis heropend. Hoe dan ook, met de vorming van de Nederlandse eenheidsstaat rond 1800 zijn ook de provinciale munthuizen gesloten, met uitzondering van de munt in Utrecht, die vervolgens Rijksmunt werd en nog steeds de Nederlandse munten slaat. Ik denk dat tegenwoordig alleen de minister van Financiën over het muntrecht beschikt.
Ik heb zelf ook een Duit geslagen in Gelderland jaargang 1926.
Zelf heb ik onderzoek gedaan naar de Duit:
Het Gelderse kopergeld van 1606-1659:
In de periode 1603-1606 kwam door onderling overleg het muntplakkaat van 1606 tot stand. Een belangrijke overwinning was dat de diverse steden die munt sloegen nu akkoord wilden gaan met een jaarlijkse afkoopsom.
Op 20 maart 1606 werd het besluit van kracht dat de steden Nijmegen, Zutphen, Deventer, Kampen, Zwolle en Groningen hun muntslag zouden staken in ruil voor een jaarlijkse vergoeding van 2000 gulden. Dit geld zou wel besteed moeten worden aan het onderhoud van de vestingwerken en werd ook altijd afgeboekt onder de noemer van “kosten van oorlog”.
Op 21 maart 1606 werd het nieuwe plakkaat afgekondigd, hierin werden nu eindelijk de zware Leicester munten afgeschaft. De bestaande oude muntsoorten van uiteenlopende waarden en uiterlijk die in diverse provincies waren gemunt werden toegelaten voor hun nominale waarde. Men ging er uiteraard wel van uit dat deze munten nu niet meer opnieuw gemunt zouden worden. Het kleingeld zoals de koperen duiten werden alleen maar geldig verklaard in de provincie waar zij ook geslagen waren. Deze regel is echter nooit in de praktijk gehandhaafd. Ook werd afgesproken om het gewicht van het kopergeld te standaardiseren. In de jaren vóór 1606 varieerde het gewicht van het kopergeld namelijk nogal sterk tussen de provincies en steden onderling. Uit een mark koper moesten voortaan 116 duiten geslagen worden. Dit betekende een gewicht per stuk van ca. 2,12 gram.
De aanmunting van koperen duiten werd in Gelderland pas in 1626 (na ruim 30 jaar) weer opgepakt.
Doordat er alleen gouden en zilveren handelsmunten geslagen konden worden en geen zilveren kleingeld, gaf Gelderland toestemming tot het aanmunten van kopergeld. Door het slaan van kopergeld kon de muntmeester zijn bedrijf nog enigszins aan de gang houden. Het kopergeld zou wederom alleen bestemd zijn voor de eigen provincie maar dit bleek in de praktijk nooit te gebeuren. Na vermelding van mogelijke knoeierij met duiten in 1640 zijn er daarna plotseling geen duiten meer aangemunt.
Pas vanaf 1662 worden er weer geregeld duiten geslagen tot en met 1693.
De duit is afgeschaft met de decimalisatie van het Nederlandse geldsysteem in 1816.
Mijn duit is van 1626 i.p.v. 1926 zoals vermeld in begin vd tekst
Ik zal de tekst aanpassen.